Zet je er één of twee letters tussen? (3/2)



Het raam stond nog helemaal oen. (p of pp)

Bert schrok waer. (k of kk)

De sloen stonden helemaal droog. (t of tt)

De ael is rot. (p of pp)

Trek vlug droe kleren aan. (g of gg)

Hij viel in de modder. (d of dd)

Wat maak je een heie. ( r of rr)

Ben je bang voor spoen? ( k of kk)

Die paddestoel heeft witte stien. (p of pp)

De ween zijn erg glad. (g of gg)