Schrijf je dit met ch of g?



Deze verf droot snel.
De oost viel tegen.
Kijk eens in de spieel.
Wat is dat voor een raar gezit.
De spet vloog opeens weg.
De boer ploede zijn akker.
Ben kende het gedit niet.
Zij heeft heel slet geslapen.
Basje gaat mee in de reiswie.
Mijn nit komt logeren.
Zij draat de koffer zelf.
Opa wordt tatig jaar.
Op acht auustus is het feest.
De inbreken sloeg op de vlut.
Hij deed zijn plit niet.